.. It’s much more than just some pictures and some text..

Een strip is niet zomaar een plaatje met een paar woorden erbij of omgekeerd. Strips zijn een volwaardige communicatievorm, zowel voor informatieoverdracht als voor kunst.

Dat is, weliswaar nog slechts bescheiden, ook opgemerkt door de onderzoekswereld. Wetenschappelijke analyse laat zien dat in de strip een eigen vormentaal, een eigen grammatica aan het werk is. Strips veronderstellen een wijze van kijken en interpreteren die we bij afzonderlijke teksten en afzonderlijke beelden niet tegenkomen. Beeldtaal is een autonoom fenomeen en vraagt dan ook zelfstandig onderzoek.

Tijdens de 31ste aflevering van de Taal Voorbij in Pakhuis de Zwijger namen stripwetenschappers Erin la Cour en Rik Spanjers het publiek mee in een analyse van de allerkleinste stripeenheid, een enkel plaatje met tekst tot het hele stripverhaal. Striptekenaar Tommy A liet zien hoe het verhaal in de praktijk ontstaat door het werken met beeldtaal.

l. Theorie

Strips hebben altijd in het academische verdomhoekje gezeten, zowel in de literatuurwetenschappelijke als in de kunsthistorische onderzoekswereld. Stripwetenschappers Erin La Cour en Rik Spanjers willen daar verandering in brengen. Daartoe hebben zij de Amsterdam Comics opgericht. Een platform met als doelstelling het wetenschappelijk onderzoek van strips te bevorderen.

 


Erin La Cour (l) en Rik Spanjers (r) tijdens De Taal Voorbij #31, Pakhuis de Zwijger

Tegenstanders van strips konden en hebben zich al ruim twee eeuwen kunnen beroepen op een geschrift van de auteur Gotthold Ephraim Lessing. Hij postuleerde in zijn essay Laokoon (1766) dat er slechts twee manieren van kunst mogelijk zijn: 1. tekst, deze is tijdgebonden, d.w.z. lezen kost tijd, en de betekenis van een tekst dringt tijdens het lezen tot je door, dus in de tijd. 2. beeld, dit is ruimtelijk en de inhoud dient zich onmiddellijk aan. Strips vormden in zijn ogen een onzuivere mengvorm van deze twee, een tot mislukken gedoemde onderneming. Puntig geformuleerd: Lessing had niets met beeldtaal op.

Iemand die veel intellectuele taboes en barrières heeft geslecht is de Franse filosoof en semioloog Roland Barthes (1915 – 1980). In zijn baanbrekende essay uit 1964 Rhétorique de l’image laat hij zien dat beelden, zoals advertenties, veel meer informatie bevatten dan we doorgaans denken. Hij onderscheidde ‘denotatie’ en ‘connotatie’, waarbij de eerste term staat voor inhoud an sich van een beeld,en de tweede voor alle associaties die een beeld kan oproepen. Barthes inspireerde onderzoekers om anders naar beeldtaal te kijken, en maakte de weg vrij voor serieuze strip-wetenschap. Een klassieke paradigmashift.

Sequentie

Eerste exponent van deze zelfstandige stripwetenschap was Comics and sequential art (1985) van de Amerikaanse tekenaar Will Eisner, tevens docent aan de New York School of Visual Arts. Eisner wijst op het sequentiële karakter van de plaatjes (panels) op de strippagina. Veel informatie bereikt de lezer vanwege het feit dat de plaatjes achter elkaar zijn geplaatst in een specifieke volgorde. Dit is een heel andere manier van vertellen dan via woorden, of via een enkel beeld, zoals bij een foto of schilderij.

Fragment uit beeldverslag Taal Voorbij #31 door Daan Landwehr

Het belang van de sequentiële vorm werd later uitgewerkt door onder meer de Amerikaanse tekenaar en wetenschapper Scott McCloud in Understanding Comics. The invisible art (1993). Dit werk, over strips is ook in de vorm van een strip. En door de Belgische wetenschapper Thierry Groensteen in zijn Système de la bande dessinée (1999), Al deze onderzoekers keken niet zozeer naar de inhoudelijke, alswel naar de formele eigenschappen van strips. Hoe steekt een strip in elkaar, hoe wordt het verhaal verteld.

In de analyses worden de randen van het stripuniversum opgezocht en onderzocht. Zoals strips zonder woorden. De narratie is alleen in afbeeldingen. Maar de afwezigheid van tekst kan slecht bestaan daar strips immers een combinatie van taal en beeld zijn. En het omgekeerde komt ook voor dat er geen beelden zijn. Zoals een serie van zwarte panels, gecombineerd met tekst, kan de beoogde informatie overbrengen. Daarbij wordt de sequentie, de volgorde, van de plaatjes, die het raamwerk van de strippagina vormt, extra belangrijk.


Lille Carré’s comic


A Nancy comic by Ernie Bushmiller

La Cour en Spanjers illustreren hun betoog met voorbeelden van moderne tekenaars, die inderdaad intelligent gebruik maken van de panel-structuur. Art Spiegelman, tekenaar van Maus (1986), deed hele nieuwe dingen met vorm. De strip gaat over de Holocaust, met katten en muizen in plaats van nazi’s en joden. Ook Joe Sacco met Palestine (2001) en Paul Hornschemeier met Mother come home (2003) breidden de striptaal uit. Deze innovaties van het fenomeen strips tonen opnieuw aan dat strips veel meer zijn dan simpelweg plaatjes + tekst of omgekeerd. Het is beeldtaal.

Louis Riel. A comic-strip biography (2003) van Chester Brown was bovendien één van de eerste biografieën volledig in stripvorm geschreven. Kortom, het stripuniversum is de laatste decennia enorm gediversifieerd. Zowel qua structurele kenmerken als qua onderwerpen.

II. Schrijven door te tekenen

Altijd goed om na de theorie ook de praktijk aan het woord te laten. Tekenaar Tommy A, maker van Prins Kat, vertelt dat hij een strip nooit helemaal van tevoren uitdenkt. “Je begint eraan en vervolgens ontstaan de tekeningen onder je ogen.” Ook de typische bladindeling van de strip en de sequentiële vorm en het verhaal ontstaan tijdens het tekenen en het schrijven, in het samenspel van woord en beeld. Zoals een beeldhouwer een vorm uithakt en het beeld laat ontstaan, zo haalt de striptekenaar het verhaal uit beeld en woord.


Tommy A tijdens De Taal Voorbij #31, Pakhuis de Zwijger

Anders dan bij veel bekende titels en series, maakt Tommy A beeld en tekst beide zelf. “Dat vergroot de kans dat de twee een eenheid gaan vormen.” Als voorbeeld noemt hij een aantal bekende strips die in hun jarenlange bestaan een aantal keer grondig zijn aangepast. Zowel Kuifje, daterend uit 1929, als Suske en Wiske, uit 1945, werden oorspronkelijk door één persoon gemaakt. Tommy A laat zien hoe de eenheid van beeld en tekst in deze strips verloren ging nadat ze werden hertekend.

Tommy A gebruikt dus beeldtaal om zijn strips te creëren dit in tegen stelling tot de gebruikelijke wijze van strips productie, namelijk een tekenaar en een schrijver die hun werk samenvoegen tot een strip.

Door: Jos Overbeeke

Zie ook
Beeldverslag van ‘Fear of the Image‘ op deze site
Imagebytes. Instant verhalen in beelden